Vaandel- en baniermaker 

Vervaardiger van vaandels en banieren.

Vaandeldrager, vaander, vaandrager

Vaandeldrager n. Holzius

Drager van het vaandel, als regel een jong officier (vaandrig) of jong(adjudant-)onderofficier. In het laatst van de zeventiende eeuw werden vaandelpelotons geformeerd, bestaande uit een bedekking van (onder)officieren, dat in het midden van het bataillon werd geplaatst. Ook bij de schutterij had de vaandeldrager een functie.

Bron
o.a. WNT

Vaandoekreder 

Producent van vaandoek, een licht gaasachtig, losgeweven doek, gebruikt voor de vervaardiging van vaandels en vlaggen. Voor de vaandoekreder werkten vaandoekwevers en vaandoekwerkers.
Vaantjeshouder 

Tapperij.
Vaartschipper 

Binnenvaartschipper.
Vaartdelver, vaartdieper, vaartjongen, vaartwerker 

Functies bij het graven en onderhouden en op diepte houden van vaarten.
Vaartmeester 

Persoon belast met het toezicht op kanalen en sluizen.

Vaartwerker

  1. Belast met het laden en lossen van schepen
  2. Werkzaam bij en graven en uitdiepen van vaarten
Vaatdorsser 

Boerenarbeider, die niet in geld wordt uitbetaald, maar in natura, per vat, d.w.z. een bepaalde hoeveelheid graan.
Vaatjesvoerder 

Vervoerder van vaatjes, kleine tonnetjes waarin onder meer haring en sterke drank werden vervoerd.

Vaccinateur (vaccinator, vaccinatrice)

Inenter tegen koepokken met koepokstof.

Bron:
o.a. C.J. Kneppelhout m.m.v. R.F. van Dijk, Koepokinjectie anno 1797 (OGE 16e jg blz 163-168) en D. Kranen, Een zorgzame Overheid (OGE 17e jg, blz. 127-134), WNT.

Vachtebloter/-plo(o)ter, ook vagte- of velle(n)ploter 



Met als variaties: plotersbaas, ploter, plotergast, ploterknecht, vachtenplotersknecht. Zij waren werkzaam in de ploterij, waar men de huiden van geslachte schapen van de vacht ontdoet. Ook de ploters waren in een gilde georganiseerd, soms samen met anderen (bijv. zeemtouwers).

Vader

  1. Inwonend hoofd van een gast-, weeshuis of hofje.
  2. Leider bij de werkzaamheden van leden van gildes, o.a. bij de bier- en kaasdragers te Amsterdam.

Valet de chambre

Kamerdienaar

Valhoedenmaker 

De valhoed is de voorloper van de helm. Het waren hoeden voor kleine kinderen met een versterkte rand, die ze moesten dragen om bij vallen of stoten beschadigingen aan het hoofd te voorkomen. Op oude afbeeldingen ziet men ze geregeld. Degenen die ze vervaardigen waren de valhoedenmakers.
Valkenier, valkenaer/falkenier  (van Fr. fauconnier)



De valkenier richtte o.a. valken af voor de jacht. Oorspronkelijk was het een beroep dat in Europa werd uitgeoefend in dienst van de hogere en lagere adel. De valken werden gehouden in een valkerij.
Tijdens de jacht van de adel droeg de valkenier een rek met valken, die van een kap voorzien waren. Nadat de honden het te bejagen wild (voornamelijk vogels als eenden, ganzen, patrijzen of kwartels, maar ook wel bijv. hazen of wilde konijnen) hadden opgejaagd, werden de valken door de jagers/jaagsters van hun kan ontdaan en losgelaten. De valkenier lokte dan met een z.g. loer zwiepend de valk terug. Bij het neerkomen werd het prooidier afgepakt en kreeg de valk een stukje vlees dat de valkenier in een heuptas bij zich had.( (Het gezegde “iemand een loer draaien” zou hier aan zijn ontleend, immers in plaats van het hele prooidier kreeg de valk slechts een stukje). Ook momenteel wordt de valkerij nog beoefend.
Waarschijnlijk hebben de Hunnen deze vorm van jagen mee naar Zuid Europa gebracht waar het zeer populair werd onder de adel. Na de uitvinding van het buskruit en de daarvoor ontwikkelde vuurwapens raakte de valkerij geleidelijke in verval, maar wordt ook tegenwoordig nog beoefend. Zo bestaat een hier te lande een Orde der Nederlandse Valkeniers met als doel het doen beoefenen en beschermen en het in cultureel en historisch opzicht behouden van de valkerij.
Varensgast, varensgezel, varentman 

Matroos, schepeling.
Varinghouder 

Stierenhouder (N.H.)
Varingloper 

Persoon die de boeren lopend, maar ook wel per vaartuig met een stier bezocht.
Voor jongeren, vrouwen en meisjes was een beroepsverbod van kracht.

Varkensberenhouder

Houder van mannelijke varkens (beren genoemd).

Varkensdrijver

Varkenshoeder

Varkensscheerder

Scheerder van varkens. Varkenshaar werd (wordt) gebruikt voor kwasten en borstelwerk.

Varkenssnijder 

Persoon die de jonge mannelijke biggetjes, die niet voor de voortplanting maar voor de slacht bestemd waren, castreerde. Later gebeurde dat door de veearts, oorspronkelijk nog zonder verdoving, later met.
Varkenvanger, varke(n)visser 

Visser van bruinvissen. Omdat één soort een bek heeft die aan die van een varken doet denken, werden deze wel zeevarkens genoemd.

Komt ook voor als achternaam.

Vatmenger, vatmanger

Koopman in vaten. Vaten werden in velerlei uitvoeringen en afmetingen vervaardigd. Eigenlijk gebruikte destijds iedereen wel tonnen oftewel vaten in velerlei vormen en maten. Ze werden niet alleen op afroep vervaardigd, maar bepaalde werden ook op voorraad gemaakt en door kooplui ingekocht om elders aan de man te brengen.

Vatmerker

Persoon in overheidsdienst, belast met het merken (inbranden van merken) op vaten

Vatroeier

Persoon in overheidsdienst, die peilt hoeveel vloeistof, bijv. bier of brandewijn een vat bevat.

Vechtmeester

Schermmeester.

Vedelaar

Vioolspeler.

Vedelmaker

Bouwer van violen. Al in de Middeleeuwen kwamen er allerlei soorten strijkinstrumenten voor. Vele zijn verdwenen, andere worden weer gemaakt en bespeeld, de viool is belangrijk gebleven. Een goede viool is nog steeds handwerk. Het bouwen van een viool vergt tussen de vijftig en honderd werkuren.

Aardige bron is:
“Met beide handen”, Uit ’t goede hout gesneden, Auteur Frederik J. Weijs, Uitgeverij Baart 1984

Vederbosmaker (pluimassier)

Vervaardiger en verkoper van pluimage: versieringen van veren voor o.a. hoeden, helmen en baretten.

Veearts (gepatenteerd)

Het vak van veearts werd oorspronkelijk uitgeoefend door onder meer hoefsmeden en “paardendocters”. In 1821 werd in Utrecht de Rijks Veeartsenschool geopend. Th. G. van Lith de Jeude was de eerste directeur. Zijn opvolger A. Numan wordt als de grondlegger van de Nederlandse diergeneeskunde beschouwd. De daar opgeleiden mochten zich veearts noemen, maar moesten evenals de anderen, die een beroep wilden uitoefenen patentrecht betalen en werden als bewijs dat ze aan hun verplichting daartoe hadden voldaan, ingeschreven in het Patentregister. Zij ontvingen een bewijs van inschrijving. (In 1918 werd de school een omgevormd tot Veeartsenijkundige Hoogeschool, in 1925 werd het een faculteit van de Utrechtse faculteit).

Veembaas

Met veem kende mdn naast het oude begrip veemgericht (zie veemnote) o.a.  te Amsterdam eook een handelsverbond, zie veembroeder.
Persoon die binnen het veem belast is met het huren van en het houden van toezicht op de sjouwers die de schepen moesten laden en/of lossen.

Veembroeder

Lid van een veem.
Een veem is een combinatie van leden van een gilde, gewoonlijk uit vijf tot tien personen bestaande, tot het verrichten of doen verrichten voor gezamenlijke rekening en risico, van de tot de taak van hun gilde behorende werkzaamheden. O.a.in Amsterdam en Alkmaar en alleen binnen de gilden der waagdragers (die zich ook met opslag en verzorging van de goederen belastten) en de schuitvoerders.
In Alkmaar wordt de traditie van de vemen door de waagdragers nog steeds voortgezet als toeristische attractie.

Zie ook WNT pag. 1172, 1173, 1174, 1175)

Veemhouder 
Ook pakhuismeester.

Is belast met het toezicht op de gang van zaken binnen het pakhuis waarin de goederen worden opgeslagen.

Veemnote

Persoon, die lid was van een veemgericht (veem of vene). Dit was een gerecht, door vrijen bezet, dat onder koningsdwang rechtsprak in strafzaken.

Bron:
Middelnederl. Handwoordenboek en WNT)

Veemrechter 

Lid van een veemgericht.
Veenbaas 

De veenbaas is a. de exploitant van een veenderij, b. de opzichter over het personeel dat bij een veenderij werkzaam is.
Veenbaggeraar 

Persoon die het laagveen opbaggert.
Veenboer 

Boer, die zijn land verveent. Is het land verveend, dan koopt hij voor zo ver mogelijk een ander stuk grond, waarna de geschiedenis zich herhaalt. In de kop van Overijssel is zo een heel dorp (Scheerwolde) verdwenen (in de jaren 50 van de vorige eeuw is een nieuw dorp Scheerwolde ontstaan ten behoeve van de polderwerkers). Het gebied van de Weerribben hebben we hieraan te danken). Sommige veenboeren hadden een eigen schip om hun turf naar West-Nederland te kunnen vervoeren.
Veenman 

Turfgraver, turfsteker
Veentrapper 

Man, ook wel vrouw, die de gebaggerde turf samen trapt tot een vaste massa met behulp van onder de voeten gebonden plankjes waarbij hij zich in evenwicht houdt met krukken.
Veentrekker 

Veenarbeider die het veen uit de petgaten baggert met behulp van een beugel.
Veenwerker 



Arbeider in het veen. Niet alleen mannen maar ook vrouwen en kinderen waren werkzaam. Het was niet ongebruikelijk dat alleen complete gezinnen in dienst werden genomen.
Veerman/-schipper 



Schipper op beurtveren.

Veldscheerder



Barbier en chirurgijn bij een leger
.

Veldwachter



Politieambtenaar op het platteland. Sinds de Franse tijd (1806) waren er de gardes champetre (veldwachters). Toen Nederland weer onafhankelijk werd handhaafde koning Willem 1 in grote lijnen de Franse organisatie. Wel werden er bijv. aan veldwachters hogere eisen gesteld. Vooral oud-militairen zonder strafblad kwamen in aanmerking. Ook moest men in beginsel kunnen lezen en schrijven. Men had gemeente- en rijksveldwachters. De gemeenteveldwachter werd uiterst karig betaald en was als regel financieel afhankelijk van neveninkomsten. In het begin ontving hij zelden meer dan 100 gulden als jaarinkomen. Het was hen toegestaan nevenfuncties te bekleden, mits met toestemming van de autoriteiten.
Rond 1900 verdiende een gemeenteveldwachter ongeveer 250 gulden per jaar. In sommige gemeenten waren zelfs collectebussen geplaatst, waar de dorpsbewoners een giftje in konden storten ten behoeve van de veldwachter. Vanaf rond 1930 werd de veldwachter ook ingezet als controleur/armbezoeker. Van 1943 werd de gemeenteveldwachter ondergebracht bij de marechaussee.
Naast de gemeenteveldwachters waren er ook rijksveldwachters. In een Koninklijk Besluit van 1856 werd bepaald dat het ambt van rijksveldwachter een zelfstandige met geen andere te verenigen betrekking was.  Naast bezoldigde rijksveldwachters waren en ook onbezoldigde.
Voor een lagere baan bij de rijksveldwacht werd geworven onder de gemeentepolitie, onbezoldigde rijksveldwachters, eervol ontslagen militairen en beambten van rijkswerkinrichtingen. Zij moesten zich in het bijzonder onderscheiden door goed gedrag, ijver, betrouwbaarheid en bekwaamheid.

Bron:
O.a. “T’uwen dienst. De geschiedenis van de politie in Nederland vanaf de Middeleeuwen tot de Tweede Wereldoorlog. Auteur Frank van Riet. Uitgeverij Scritum.
Zeer lezenswaardig en informatief.

Velle(n)bloter, velle(n)ploter

De velle(n)bloter/ploter diende de schapenvellen van de wol te ontdoen. Oorspronkelijk moest dat gebeuren door rotting, waardoor de wol losliet. Later gebeurde dat door de huid na reiniging met o.a. met chemische stoffen als zwavelnatrium in de smeren.

Vellenspoeler 

De vellenspoeler moest de gelooide huiden in het water hangen, zodat het looiextract, dat voor het looien was gebruikt, daarin op kon lossen. Na het wassen liet hij de huiden in een houten bak uitdruipen.
Vellenvetter 

De vellenvetter was er mee belast om met de hand traan in te wrijven op de nerfzijde van het leer.
Venduhouder 

Veilinghouder, veilingmeester. Iemand die verkopingen organiseert en houdt.
Vendumeester 

Bekende functie in het voormalige Nederlands Oost-Indië. Ambtenaar in dienst van het gouvernement. Vooral zij die in Indië een overheidsbetrekking hadden wisselden geregeld van standsplaats, waarbij de afstand tussen de oude en de nieuwe soms aanzienlijk was. Met het grootste deel van hun huisraad hielden ze daar rekening mee en lieten die veilen tijdens een vendutie. Op de nieuwe standplaats werd op een vendutie daar weer vervangend meubilair aangeschaft. Hetzelfde gebeurde wanneer ze recht hadden op Europees verlof, dat minimaal acht maanden bedroeg. (Zie Masterscriptie Suzanne de Graaf: ‘Iets van een vreemde vrucht’: Indische verlofgangers in Nederland)
Venter 

Persoon, die met zijn koopwaar zijn potentiele klanten bij langs gaat. Die koopwaar was van zeer uiteenlopende aard. Oorspronkelijk opgetast in een mars, een soort kastje dat hij op zijn rug droeg, later ook met behulp van een handkar, kruiwagen, hondenkar, paard en wagen, handkar of bakfiets. Hun negotie was zeer variabel, zoals oude kledij, garen en band, stukken textiel (lapjeskoopman), diverse levensbehoeften als brood-, eieren en melk, petroleum en seizoensgebonden als aardappelen, groenten, fruit, vis (o.a.paling, die levend gestroopt werd) en mosselen. In de crisisjaren kon men (Den Haag) een bakfiets huren (inclusief tien gulden om de te verkopen handel als bijv. bloemen in te kopen).

Ventjager

  1. Marskramer
  2. Vervoerder van koopwaar te water of op het land
  3. Opkoper die vers gevangen vis van de haven of het strand naar de markt rijdt
  4. Degeen die de vissersschepen tegemoet vaart om hun vis op zee op te kopen.
Ventvoerder 

Marktschipper.
Verfmeester 

De verfmeester was hoofd in een (textiel)ververij. Het verven kon in de vezel, in het garen en in het stuk plaatsvinden. Het is een eeuwenoud ambacht, dat tot de opkomst van de synthetische verfstoffen in de 19e eeuw met natuurlijke stoffen zoals meekrap en cochenille gebeurde. Alvorens er geverfd kon worden, moest een voorbehandeling plaatsvinden, die van stof tot stof varieerde.

Verfmolenaar

In de verfmolens werden grondstoffen voor de verfindustrie gemalen. Vanaf ongeveer 1600 werden tropische verfhoutsoorten ingevoerd die werden gebruikt om verfstoffen te maken o.a. Braziliëhout. De stukken verfhout werden in een grote kuip geplaatst en met beitels in dunne spatels gehakt. De snippers werden daarna door rollende kantstenen tot poeder gemalen en daarna gezeefd in een draaiende trommel. Daarna werd het poeder nog fijner gemalen met behulp van platte molenstenen. Vanaf 1700 werden ook aardverven, krijt en slijppoeders verwerkt. O.a. amaril, krijt en loodwit. De schilders konden zelf verf vervaardigen door de verfpoeders in bijv. lijnolie te wrijven. Momenteel is er nog een verfmolen in bedrijf (“De Kat” in de Zaanse Schans.

Bron:
Ons Erfgoed 10e jrg, nr 3. Molenaarsberoepen. Auteur A.J.J. Struijk.

Verglazer, verglaaser, verglaaster
 
Man of vrouw, die het aardewerk glazuurt.
Vergulder, verguldster 

Vergulden is het aanbrengen van bladgoud of met goudverf bedekken. Al naar gelang de doelstelling is er een specialisatie opgetreden. In die boekbinderij bijv. konden en kunnen boekbanden verguld worden. De lijstenmaker verguldde lijsten met behulp van bladgoud of goudverf.
Verkoopmeester 

Verdumeester
Verlaatmeester 

Toezichthouder bij een sluis.
Verlaatsman 

Sluiswachter.
Verlakker, verlakster, verlakkersbaas 

Lakwerker, verlakschilder.
In een verlakkerswinkel  of werkplaats werden allerlei voorwerpen bestreken met een laklaag, die men in een aantal gevallen in een lakoven liet drogen. Men gebruikte afhankelijk van het te lakken object verschillende laksoorten, zoals bijv. voor hekwerken.
Verlapper 

Reparateur van schoeisel of kleding door het inzetten van gave lappen leer resp. stof.
Vermaner 

Voorganger in een doopsgezinde kerkgemeente. De vermaner was een leek die geen universitaire theologische opleiding had genoten. Als leek had de vermaner niet het recht om te dopen. Hij werd gekozen door de gemeenteleden en ontving geen geld voor zijn werkzaamheden. Het vermanerschap was dan ook een nevenfunctie die naast een hoofdberoep werd uitgeoefend. De vermaner leidde de zondagse diensten. Daarnaast had hij ook als taak om door de week het zedelijk leven van zijn gemeenteleden in de gaten te houden en hen zo nodig daarop aan te spreken.
Een doopgezinde kerk ook wel een vermaning genoemd.

Vermaning Wormer.
De Doopsgezinde Gemeente te Wormer is
waarschijnlijk een van de oudste Doopsgezinde
gemeente in Noord Holland.
Vermiljoenbrander 

Vervaardiger van vermiljoen, een oranjerode kleurstof, die oorspronkelijk gewonnen werd uit cinnaber, een uiterst giftige mineraal dat een hoge dosis kwik en zwavel bevat.
Later geschiedde de bereiding door een mengsel van kwik en zwavel in een met klei afgesloten pot te verhitten, waardoor er rood kwiksulfide (vermiljoen) ontstond. Het nadeel van dit vermiljoen was dat het niet kleurecht was. Door blootstelling aan het in de lucht aanwezige chloride komt kwik vrij dat weer met het overige chloride reageert waardoor zwarte en witte vlekjes ontstaan.
Eerst tegen het einde van de negentiende eeuw wist men een minder schadelijk en stabiel alternatief te ontwikkelen op basis van cadmium en tegenwoordig op basis van onschadelijke stabiele pigmenten.
Vernaaier 

Destijds hersteller van kapotte kleding. Dit woord heeft tegenwoordig een ongunstige betekenis.
Verpondingsbeurder/gaarder 

Ontvanger van het verpondingsgeld (een belasting op grond en onroerend goed). Zijn taak was het de verpondingsgelden (belasting ten behoeve van de hogere overheid  te innen, af te dragen en het geheel te administreren. Als vergoeding kreeg hij een deel van de verpondingsgelden. Hij diende ieder jaar verantwoording af te leggen.
In de zeventiende eeuw stond deze functie ook wel als schotvanger bekend.
Verschieter 

Persoon, die het opgetaste graan of meel geregeld om schepte/omwoelde om broeien en ander bederf tegen te gaan. O.a. functie in Schiedam waar grote voorradengraan werden aangehouden ten behoeve van de jeneverstokerijen. Ook het graag op de moutzolders van bierbrouwerijen moe(s)t geregeld worden omgeschept.
Versewaarverkoper/verkoopster 

Handelaar/handelaarster in verse etenswaren.
Versjager 

Haringjager, die de vers gevangen haring van de vissersschepen zo snel mogelijk naar de kust bracht, terwijl de vissersschepen door konden vissen.
Verstekker 

Persoon die in een lijstenmakerij of een spiegelfabriek de lijsten in verstek zaagde, d.w.z. in een hoek van 45 graden.
Versteller 

Functie in de diamantslijperij. Persoon die voor de slijper de diamantjes in het soldeer om moet zetten zodat ze ook aan de andere kant geslepen kunnen worden.

Vervener

  1. Eigenaar/exploitant van een veenderij
  2. Turfgraver, veenarbeider

Verver, verwer (ook de vrouwelijke vorm verwster komt voor)

  1. Ambachtsman werkzaam in de textielindustrie, belast met het verven van wol, linnen, katoen, zijde e.d. en de daaruit vervaardigde weefsels als bijv. laken door onderdompeling in een verfbad met kleur te doordrenken.
  2. Ambachtsman die bouwwerken, gebruiksvoorwerpen enz. met verf bestrijkt (huis- ,decoratie-, constructieschilder).

Verwaarster

Baker. Zie aldaar.

Verzoler 

Man, die schoeisel e.d. van nieuwe zolen voorzag.
Verzoolster 

Vrouw, die kousen of sokken van nieuwe zolen voorzag.
Vestmeester 

Persoon in stedelijke dienst, die belast was met het onderhoud van de ommuring van een stad, inclusief de poorten, torens en bruggen die deel uitmaakten van de ommuring.
Vetermaker, vetermaakster  

Vervaardiger van veters oftewel nestels uit (gevlochten) leer of stof, aan de uiteinden door een veterklopper voorzien van een malie, een (metalen) hulsje om gemakkelijk bijv. schoenen en korsetten dicht te kunnen rijgen.
Vetleertouwer, vetleerbereider 

Bereider van vetleer, d.w.z. leer afkomstig van huiden, die bij het prepareren aan de vleeszijde met traan of ander vet is ingesmeerd om het soepel (en vochtafstotend) te houden.
Vettewarier 

Oorspronkelijk handelaar in vette waren.
Veulensnijder 

De veulensnijder castreerde veulens.
Victualiënhandelaar 

Handelaar in scheepsbenodigdheden. Term o.a. gebruikt door parlevinkers. In “De Nederlandsche Scheepsbouwkonst Opengestelt” pag. 286 (Cornelis van Yk, 1697) wordt o.a. de “Lijste van Leeftogt ten behoeve van 100 Koppen voor een maand” gepubliceerd:
2250 pond hart Broot, tot 5 pont yder hooft ter week, 40 zacken weeck Broode, 450 pond kaes, is 1 pond voor yder hooft ter week, 5 tonden Vleesch, is 1 ½ pond yder Man daags: en 400 twee dagen ’s weecks, 4 pond Stockvis, daar men haring voert, anders moet men hebben 700 pont, 51/2 tonnen Haring, 4 ½ ton Booter, 2 ½ smalton Gort; ½ smalton witte of groene Erreten, ½ smalton bonen, of grauwe Erreten, 35 smalton wit Zout, 4 oxhooft Azijn, ? tonnen Bier ’s winters, 42 ’s Somers, vadem Branthout, 3 ’s Somers. Daarnaast was er nog een lijst voor de Cajuyt.
Deze lijst laat zien dat er heel wat ingekocht en dus verkocht moet worden. Op de foto Wim van Hooren, in 2008 (na 44 jaar!) gestopt als parlevinker in Belfeld
Vijfschachtwerker, vijfschaftwever 
Zie ook rietkammaker.

Door het gebruik van schaften of kamhouten (rietkammen), d.w.z. rechthoekige houten ramen met oogjes, kon men regelen welke kettingdraden omhoog werden getild wanneer men een schietspoel door wilde voeren. Zo kon met bijv. een patroon laten ontstaan en/of schietspoelen met verschillende kleuren of soorten garen doorvoeren. Bepaalde kledingstof droeg de naam “vijfschaft”. Deze werd vervaardigd met linnen schering en wollen inslag. Zowel in het zuiden als noorden van ons land werd deze manier van weven beoefend. Het was een vermoeiende techniek. Vijfschaftenkleding kleding werd al eeuwenlang gedragen. Ten behoeve van bijv. Staphorsters heeft zich deze techniek nog lang gehandhaafd. In Meppel is meer dan twee eeuwen een vijfschafts weeftoestel in gebruik geweest en is uiteindelijk in het museum aldaar terechtgekomen.

Bronnen:
P.J.M. van Gorp, Technologie van de Schaftweverij, textieldagschool Tilburg, 1949.
Dr. Karl Karmarsch, Handboek der Mechanische Technologie, tweede deel, 1825.
Reformatorisch Dagblad, 20-12-1984.

Vijlenkapper

Vijlenkapper 16e eeuw
De vijl houdt hij met behulp van leren riemen links en rechts
van het aambeeld vast met zijn voeten.


Vijlen zijn in hun algemene toepassing werktuigen die gebruikt werden en worden voor het afwerken, bijwerken en nader vormen van metalen en houten voorwerpen, maar ook bijv. schoenmakers en hoefsmeden gebruik(t)en vijlen.
Ze werden reeds gebruikt door de Egyptenaren, Kelten en Romeinen. Als huisindustrie bleef het maken van vijlen in Duitsland (Neurenberg) en Engeland (Sheffield) zich handhaven. Kwalitatief goede vijlen werden voornamelijk van Zweeds staal gemaakt. De staven werden eerst op de  gewenste lengte gehakt, in de vorm gesmeed en vervolgens uitgegloeid om de voor het kappen vereiste zachtheid te verkrijgen. Vervolgens werden de stukken nageslepen en gepolijst waarna ze gekapt konden worden.
Christiaan Huijgens maakte er in 1686 gewag van dat horlogemakers naast kleine nijptangen en “beijteltjes” ook diverse soorten vijlen gebruikten. In de zestiende eeuw werd in een geschrift vermeld dar een vrouw haar gevangen echtgenoot een vis stuurde met daarin een vijl verborgen, met behulp waarvan hij de gevangenis wist te ontvluchten.
Voor vele handwerkslieden zoals bijv. goud- en zilversmeden, instrumentmakers, muntmakers, schrijnwerkers, smeden en stempelmakers waren vijlen onontbeerlijk.
De vijl bestaat uit een arend (het gevest) en het profiel. In het profiel zijn tandjes aangebracht, waardoor de vijl gebruikt kan worden om oppervlakken te bewerken. Naar de fijnte van de vijlen onderscheidt men grove, halfgrove, basterd, halfzoet, zoet en dubbelzoetvijlen.
De meeste vijlen zijn dubbelhouwig, d.w.z. dat de tanden  (insnijdingen) in twee richtingen ‘overkruis’ zijn gehouwen waardoor talrijke en onderling zeer nabijgelegen ruitvormige tandjes ontstaan die aan het oppervlak een gelijkmatige ruwheid of scherpte hebben.
Rond het midden van de negentiende eeuw werd de vervaardiging van vijlen gemechaniseerd. Men onderscheidde vier hoofdbewerkingen: het smeden, het slijpen, het kappen en het harden. Eerst werden de blanken vervaardigd, d.w.z. het “lichaam” van de vijl. Dit kon dus in allerlei profielen. De blanken werden daarna in een oven uitgegloeid en waren dan gereed voor verdere bewerking. De blank werd recht getrokken en eventuele vervormingen werden verwijderd. De uitgegloeide blanken werden vervolgens in de gewenste vorm in de breedte geslepen. Daarna werd de arend of aar aan het profiel gesmeed. Deze was niet gehard om hem minder breekbaar te maken. Daarna begon het eigenlijke kappen. Naar de kap onderscheidt men vijlen en raspen. (Bij de raspen staan de tanden elk afzonderlijk. Zij worden met een centerpons gekapt). De vijlen worden weer onderscheiden in enkel of ruw en dubbel of gekruist bekapte. Oorspronkelijk gebeurde dit met een beitelvormige hamer. Elke slag moest goed zijn, zodat dit een moeilijke klus was.
Dit werd vereenvoudigd toen men in de vijftiende eeuw er toe overging om losse beitels te gebruiken, waarop met een hamer werd geslagen. Een bekwaam vijlenkapper kon ongeveer 80 slagen per minuut geven en haalde daarmee een dagproductie van ongeveer 24 vijlen.
Elke soort vijlen heeft zijn eigen soort tanden. De grootte van de vijl en de grofte van de tanden bepaalde hoeveel tanden er geslagen werden.

De vijlenkapper produceerde niet alleen nieuwe vijlen maar verkapte ook gebruikte en versleten exemplaren zoals uit onderstaande advertentie blijkt:
Hendrik Oosterman, mr. Smit en vylenkapper in de Anjelierstraat voorby de
Fiotellestraat te Amsterdam, adverteerd aan alle mrs. Smits, moolenaars, koper-
Gieters en koperslagers, zyn extra continueeren met maaken en verkoopen van
Smits- en molenvylen; en hard en verkapt de oude weder als nieuw. Ook verkoopt
En verhuurd hy alle soorten van kagchels en kagchelpypen…
Amst. Crt, den 31 Oktober 1795.

Bronnen:
A.C. Ink, Vijlenkappen, een oud beroep, Jubileumboek NGV Delfland (25-jarig jubieum)
Drs. P.H. Vos, Woordenboek van de Brabantse Dialecten, Dool II, aflevering 6, metaalbewerking, 1992.
D. Grothe, Mechanische technologie, 4e druk 1898.
Diverse knipsels

Vijzelaar, vyselaer



De vijzelaar vijzelde met een vijzel, d.w.z. een hefwerktuig voorzien van een zeer zware schroef o.a. verzakte huizen of andere zware lasten omhoog, resp. liet ze zakken.
Voor het opvijzelen van lasten van grote omvang en gewicht, o.a. van gehele gevels of gebouwen voor het herstellen van de fundering of anderszins, worden/werden veelal meerdere vijzels tegelijk gebezigd, omdat hiermede uiterst langzaam en gelijkmatig kan/kon worden te werk gegaan en schokken geheel wordt/werd vermeden.
Vroeger werden veelal houten vijzels gebruikt. Later werden deze verdrongen door de meer doelmatige ijzeren.

Bronnen:
L. Bosman, Burgerlijke bouwkunde, 2e druk 1913, uitg. D. Bolle Rotterdam; WNT.

Vijzelgieter

Naast vijzels als hefwerktuig kende/kent men ook vijzels als metalen (koperen of ijzeren) beker-/trechtervormige vaten in verschillende formaten, waarin men met gehulp van een knotsvormige stamper uiteenlopende stoffen fijn maakte zoals bijv. bepaalde medijnen
Vervaardiger van vijzels, koperen of ijzeren trechtervormige vaten, waarin men met behulp van een knotsvormige stamper uiteenlopende stoffen fijn maakte, zoals bijv. bepaalde medicijnen, mosterd en bepaalde verfstoffen. De werkzaamheden van de vijzelgieter waren vaak nauw verbonden aan de geschuts- en klokkengieterijen.

Bron:
o.a. WNT

Vilder, viller
Ook wel koudslachter genoemd.

De vilder slachtte gestorven vee waarvan het vel nog bruikbaar was. Ook werd hij geroepen om oude en zieke dieren af te maken en te slachten. Dit was onder meer het lot van paarden, honden en katten. In het buitenland (Engeland) werden wel afgedankte mijnpaarden geëxporteerd naar ons land om hier afgemaakt te worden. Ook moest hij wel bij zwangere koeien kalveren die te groot waren om op een normale manier ter wereld te komen, in het lichaam van de koe in stukken snijden en verwijderen, zonder dat de koe beschadigd werd.
Soms ook fungeerde de vilder ook als hulp van de beul en werd belast met het afvoeren van de lichamen van de terechtgestelden.

Bron:
o.a. WNT

Viltbereider

Vervaardiger van vilt. Vilt is een niet geweven, maar door persing en kneding met toevoeging van warmte en zuurachtig vocht van dierlijk haar (haarvilt) of wol (wolvilt) verkregen stof, die voor verschillende doeleinden werd en wordt gebruikt, o.a. voor hoeden, schoeisel en isolatiemateriaal.

Vilthoedenmaaker, vilthoedenmaakster

Vervaardiger, resp. vervaardigster van vilthoeden. Destijds prefereerde men vooral het haar van de bever. Dit had tot gevolg dat de Canadese bever al voor het midden van de negentiende eeuw bijna uitgeroeid was. Andere bruikbare haarsoorten waren otterhaar, hazendons (speciaal van de rug), konijnenhaar, haar van de bisamrat, geitenhaar en ook lamswol, mist zorgvuldig gewassen en ontvet en dan gekaard. Door het een tijdje te kneden raakte de haren steeds meer in elkaar vervlochten waardoor er een stof zonder regelmatige structuur ontstond/ontstaat met een grote samenhang en sterkte.
Voor iedere hoed werden de benodigde hoeveelheden (bever)dons en lamswol afgewogen.
De viltmaker gebruikte een boog om het materiaal tot een luchtige licht vervilte couche, een gelijkmatige ovale laag van ongeveer 40 x 60 cm te maaken. Daarna werd de laag bewerkt om de haren te vervllechten, eerst met de blote handen, daarna onder een leren lap. De couche werd bevochtigd en dan  rond een mal in klokvorm gebracht (tot een cloche), die binnenste buiten werd gekeerd zodat het dons voor de rand aan de onderzijde kon worden bevestigd. Daarna werd de cloche op een mal gebonden, opnieuw vochtig gemaakt en met de hand gefatsoeneerd tot alles correct was. De hoed werd op de vorm gedroogd, geruwd en geschoren en vervolgens in een bad geverfd, door ze 10 - 12 maal onder te dompelen in een oplossing van ijzersulfaat, kopergroen en lakmoes. Vervolgens onderging de hoe een aantal nabewerkingen en tot slot modelleerde een vakman de hoed naar de laatste mode.

Bron:
Oude Techniek pag. 85-91.

Vinder

Verzamelnaam voor verschillende functies:

  1. gildebestuurder, belast met het opsporen van overtredingen van de keuren
  2. gezworen keurmeester
  3. rechter in parochierechtbanken of smalle wetten
  4. bestuurder van een rederijkerskamer, vnl. belast met financiële en huishoudelijke bezigheden
  5. ambtenaren die in een wijk of buurt de financiële bijdragen en boetes van de bewoners int.

Bron:
J.B. Glasbergen, Beroepsnamenboek, uitg. L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, 2004.

Vingerhoedmaker

Vingerhoeden en naairingen werden uit verschillende metalen vervaardigd. Zo kreeg Sara Reigersberg, een nicht van Maria Reigersberg, bekend van de ontsnapping van Hugo de Groot, een zilveren vingerhoed bij haar huwelijk. De Republiek der Verenigde Nederlanden werd na 1600 de belangrijkste producent van vingerhoeden ter wereld. Deze nijverheid was gevestigd in Utrecht, Vianen, Amsterdam en De Bilt en korte tijd in Schoonhoven, ’s-Hertogenbosch, Haarlem en Rotterdam. Vijftig jaar lang vormden de vingerhoedmakers een landelijk kartel, waarin zij prijzen en productiehoeveelheden afspraken. Het wist binnenlandse concurrenten effectief uit te schakelen of in te palmen, maar kon niet voorkomen dat bedrijfsgeheimen door spionage en wegkopen van knechten in buitenlandse handen kwamen.

Literatuur:
Herman Boon en Catherine Langedijk, Vingerhoedmakers en hun bedrijven in de tijd van de Republiek.
In dit boek worden de Nederlandse vingerhoedmakers en hun nijverheid beschreven in al hun aspecten, zoals vestigingsplaatsen, inkoop en afzet, knechten, winstgevendheid, motieven om voor het beroep te kiezen, opvolging, rol van de vrouw, huwelijk en gezin, bestuurlijke en maatschappelijke functies en aanzien.

Visloopster

Verkoopster van vis.
Veelal droegen zij een grote hoed. Deze diende om ze te beschermen tegen het vocht dat eventueel uit de vismand sijpelde. Daarop werd een wrong geplaatst, een grote ring van met stof omwoeld stro. Daarop werd de vismand geplaatst. Zo liepen deze vrouwen vaak grote afstanden.

Vogelvrouw

De Delftse kreeg in 1540 ook vergunning om “Quacken”, een reigerachtige die ook werd gegeten, te verkopen.  Er werden trouwens meer vogelsoorten gegeten, die men nu niet meer blieft zoals zwanen.

Volder, voller
Zie ook lakenvolder.

De (laken)vollers waren destijds georganiseerd in gilden, ook de vollersgezellen behoorden tot het vollersgilden
De vollersbaas gaf leiding aan een groep vollers in een volmolen.
Vollersknaap

Vollersknecht

Vorster, vostere
Soms voorstere en ook wel later dorpsdienaar genoemd.

  1. Oorspronkelijk van overheidswege belast met het toezicht over de bossen in een bepaald gebied en op de controle op de naleving van de bosrechten, opzichter over velden, weiden en andere gemeentegronden.

  2. Gerechtsbode, functionaris in het dorpsbestuur die onder meer de functie had van deurwaarder. (Hertogdom Brabant). De vorster moest o.a. dagvaardingen bezorgen namens de schepenbank. Ook had hij tot taak besluiten van hogere autoriteiten aan kondigen. Vaak was de vorster tevens een soort ordebewaarder en assistent van de schout. Later werd een deel van de functies van de vorster overgenomen door de veldwachter (garde champêtre).

Bronnen:
Verdam’s, Middelnederlands Handwoordenboek, oplaag 1981
Woordenboek der Nederlandsche Taal (1993)

Vouwer, vouwster

Man, resp. vrouw belast met het vouwen of plooien van verschillende daarvoor geschikte stoffen of producten:

  • Boekbinderijen
  • Laken
  • Pompeurs, die costuums e.d. uit de confectie-industrie passend maakten.
  • Producenten van diverse soorten textiel
  • Was- en strijkinrichtingen
  • Zeildoekfabrieken

Vrachtrijder, vrachtrijdster

Man,resp. vrouw die vrachten vervoert, oorspronkelijk met een kar, getrokken door een paard of ander dier, bijv. os of hond(en).


Vroedvrouwen
Vroedmeester / -vrouw, -wijf / vroedmannen

Vroedvrouwen konden en mochten volgens de regels maar één bevalling tegelijk begeleiden, en als de bevalling eenmaal begonnen was, mochten zij niet even weggaan naar een andere bevalling. Zwangere vrouwen bespraken daarom ruim vantevoren een vroedvrouw voor de naderende geboorte.
Wanneer de weeën begonnen waren, haalde iemand uit de omgeving de vroedvrouw. De vroedvrouw was op dat moment verplicht te komen. Het huis werd voor de bevalling klaar gemaakt door buren, familieleden of de meid van de zwangere. De echtgenoot was normaal gesproken afwezig bij de bevalling. De aanwezigen waren bijvoorbeeld vrouwelijke buren, familieleden of vriendinnen.
Tijdens de bevalling zat de kraamvrouw op een baarstoel, of op een matras in de bedstede. De bedstede was echter aan drie zijden gesloten en was dus niet erg handig voor de omstanders. In de kamer kon ook een losstaand laag bed worden gemaakt door een aantal stoelen met de rug op de grond te plaatsen, en daarop een matras te leggen. Deze tijdelijke opstelling werd een 'kortbed' genoemd. Soms zat de barende vrouw op de schoot van een vrouw, de 'schootster'.
De vroedvrouw of vroedmeester stond, knielde of zat tussen de benen van de barende vrouw. Haar beide benen werden - wijdbeens - vastgehouden door andere vrouwen. De rokken van de barende vrouw werden opgetrokken, zodat deze niet vies zouden worden door de vrij komende vloeistoffen. Kamers werden in het algemeen spaarzaam verwarmd. Om geen kou te lijden sloeg men van boven af een deken over de benen heen. De vroedvrouw begeleidde de geboorte en ze paste indien nodig handgrepen toe om de geboorte te bespoedigen. Ze ving de pasgeborene op en knipte de navelstreng door. Daarna legde zij het kind in doeken en gaf het aan een van de omstanders die de baby en de navelstreng controleerde op eventuele gebreken of problemen. Tenslotte zorgde de vroedvrouw dat ook de placenta compleet uit de baarmoeder kwam; deze toonde zij ter controle aan omstanders. Daarna werd de kraamvrouw verzorgd en in bed gelegd. De baby werd bij de vuurmand gebakerd en aan de vader van het kind aangeboden, die de vroedvrouw een traditionele fooi gaf. Door de omstanders werd direct daarna een geboortemaaltijd klaargemaakt.

Andere taken van de vroedvrouw
Bijkomende taken waren het doen van lichamelijk onderzoek bij zwangere vrouwen en (na de geboorte) bij pasgeboren baby's. Bij de geboorte van een buitenechtelijke kind had zij als taak de naam van de vader op te vragen en daarvan verslag doen bij de overheid. Een andere taak was het onderzoeken van het lichaam van een doodgeboren of kort na de geboorte overleden kind. Tenslotte moest zij (mede) de opleiding van aspirant-vroedvrouwen verzorgen.
Het werd de vroedvrouw verboden de doop uit te voeren. Als men vreesde voor het leven van de baby werd door de vroedvrouw wel een 'ga-doop', 'gauwdoop' of, 'nooddoop' uitgevoerd, maar deze praktijk werd in 1589 streng verboden door de Hervormde Synode van Gouda. Alle dopen moesten in kerken worden uitgevoerd. Of dat gebeurde was natuurlijk een tweede.

Positie van vroedvrouwen
Vroedvrouwen waren in een bepaalde stad hetzij vrij gevestigd, ofwel door de overheid van die stad in loondienst aangesteld; zij waren lid van het chirurgijnsgilde en daardoor - als vrouw - de meest geëmancipeerde beroepsgroep.

Lage standing
Vroedvrouwen werden volgens bepaalde historische bronnen slecht betaald voor hun kernactiviteit, het bieden van hulp bij het baren. Daarom namen zij nevenfuncties aan - zoals het in huis nemen van zwangere vrouwen en het bakeren van zuigelingen. Terne schrijft in 1784 dat vroedvrouwen in het algemeen door de maatschappij niet erg hoog werden geacht tijdens de 17de en 18de eeuw. Het was werk voor weduwen en mindere volksvrouwen. In Leiden zijn in de 17de eeuw tien vroedvrouwen aktief; in de 19de eeuw slechts vijf (Van der Borg, p.21). Zij stonden in een soms ongunstige concurrentiepositie ten opzichte van accoucheurs (vroedmannen) en geneesheren. Er werd vaak kwaadgesproken over vroedvrouwen. Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd de positie van vroedmannen versterkt ten nadele van vroedvrouwen.
In landelijke gebieden waren vroedvrouwen veelal "autodidact"; zij verkregen de noodzakelijke kennis en ervaring voor het vroedvrouwenambacht door de praktijk, wellicht door het vergezellen van andere vroedvrouwen..
Voor de aanstelling van een stads-vroedvrouw in Arnhem werden in 1726 vacature-advertenties geplaatst in couranten in Amsterdam, Leiden, Delft en Den Haag. Bij de procedure behoorde een selectie van de sollicitatiebrieven, een sollicitatiegesprek, het controleren van getuigschriften, en een examinering, waarna de eedsaflegging en aanstelling plaats vond. In Arnhem werd een salaris betaald bestaande uit een bedrag op jaarbasis en een bedrag per bevalling. Als vroedvrouwen na een strenge selectieprocedure werden aangenomen in een andere stad, dan verhuisden haar man en kinderen vaak mee, en verwierven ook het burgerrecht van de nieuwe stad. Dat wijst op een maatschappelijke positie van belang. Vroedvrouwen verdienden evenveel geld als mannelijke ambachtslieden, dat wil zeggen ongeveer 2 gulden per werkdag rond 1660.
Het werk van vroedvrouwen bracht hen bij dag, maar meer nog bij nacht en ontij in de woonhuizen van alle mogelijke bevolkingsgroepen. In veel gevallen zal de bevalling hebben plaatsgevonden in donkere, slecht verlichte en geventileerde woonruimten, soms op vaak onder minder hygiënische omstandigheden. Desondanks lag in Nederland het aantal levendgeborenen per 1000 geboorten relatief hoog. Rond 1850 stierven 25 van elke 100 baby's tijdens of vlak na de geboorte.

Opleiding
Naarmate de maatschappij meer georganiseerd raakte, werden er geleidelijk allerlei eisen aan beroepsuitoefenaars gesteld, óók aan de vroedvrouwen. In de zeventiende-eeuwse Republiek speelde de vroedvrouw bij geboorten een belangrijke rol. Ze werkten onder reglementen (keuren) die door de stedelijke overheid waren opgesteld. Hun opleiding, diplomering en aanstelling waren nauwgezet geregeld. Vroedvrouwen kwamen in de steden in de leer bij het plaatselijke chirurgijnsgilde, waar een vroedmeester aan verbonden was. Hij was ofwel een in verloskunde gesprecialiseerde chirurgijn ofwel een medicus doctor met bijzondere ervaring en vaardigheden. Bij probleemgevallen bij geboorten moesten de vroedvrouwen onmiddellijk advies inwinnen bij een vroedmeester of medicus-doctor; maar de geboorte bleef onder begeleiding van de vroedvrouw. De stedelijke regelingen waarborgden een goede opleiding en kwaliteit; ze boden tevens bescherming tegen concurrentie van buitenstaanders. Zo werd in 1675 op voorstel van de Inspectores Collegii Medici ingevoerd dat een vrouw pas 'na vier jaren als leerling onder een geadmitteerde vroedvrouw te hebben gediend en 't vroedwerk te hebben bijgewoont' een examen mocht afleggen om 'een acte van bequaemheyt' te krijgen. Degenen die deze 'acte van bequaemheyt' hadden verworven, mochten dan een bord uithangen waarop 'haare naamen volkomen uytgeschreven' moest staan. Omdat vroedvrouw-leerlingen echter, zodra zij enige praktijkervaring hadden opgedaan, al vóór hun examen zo'n Vroedvrouwsbortje uithingen, werd hen dit bij een ordonnantie van 2-3-1691 verboden.

Daar nog niet-geëxamineerden ondanks deze verordening tòch hun borden uithingen, kwam er op 30-1-1712 een nieuwe verordening af, dat vroedvrouwenbordjes 'bezegeld' moesten zijn: een wettig bevoegde vroedvrouw moest op het bord dat zij wilde uithangen, haar volledige naam aanbrengen en het te Amsterdam met het Zegel van het Collegium Medicum door de Inspectores Collegii Medici en professor Ruysch laten waarmerken.
Kennelijk oefenden de wèl bevoegde vroedvrouwen hun ambt niet altijd naar eer en geweten uit, want al eerder, op 8-1-1704 was er een verordening verschenen waarbij de 'inhaling' van het uithangbord gelast werd wanneer de vroedvrouw voor zes weken of langer 'gesuspendeerd' was wegens dronkenschap, wegens het niet helemaal nuchter zijn tijdens haar werkzaamheden, wegens het niet komen wanneer zij bij een bevalling geroepen werd of wanneer zij zich anderszins misdragen had. Pas in een bepaling van 1742 werden de vroedvrouwen ertoe verplicht een 'buyten uytstekend bord' te plaatsen waarop 'met grote en leesbare letters' Stadsvroedvrouw moest staan alsmede het nummer van de wijk waarin zij woonde.

Wellicht de oudst bewaarde Nederlandse stedelijke keur op dit gebied is die van de stad Delft, uit 1656. Andere steden volgden de keuren pas later - bijvoorbeeld die in Amsterdam in 1668, en die in Utrecht in 1778. Reeds voor het jaar 1656 was in de Delftse stedelijke praktijk reeds een traditie van exameneisen gerealiseerd.

Bronnen:
Helena Adelheid van der Borg. Vroedvrouwen: beeld en beroep. Ontwikkelingen in het vroedvrouwschap in Leiden, Arnhem, 's Hertogenbosch en Leeuwarden, 1650-1865. Wageningen
Dr. H.L. Houtzager. Medicijns, Vroedwijfs en Chirurgijns; schets van de gezondheidszorg in Delft en beschrijving van het Theatrum Anatomicum. Rodopi, Amsterdam, 1979.
Dr H.L. Houtzager, Wat er in de kraam te pas komt. Opstellen over de geschiedenis va de verloskunde in Nederland. Erasmus Publishing, Rotterdam 1993.
A.J. van Reeuwijk. Vroedkunde en vroedvrouwen in de Nederlanden in de 17de en 18de eeuw. Dissertatie, 1941 (collectie UB UvA)
C.G. Schrader's Memoryboeck van de Vrouwens. Het notitieboek van een Friese vroedvrouw 1693-1745. Bewerkt en ingeleid door Drs. M.J. van Lieburg. Rodopi, Amsterdam, 1984.
Marijke Spies, Des mensen Op-en Nedergang, literatuur en leven in de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw. Bulkboek Amsterdam/Barneveld, 2nd ed. 1985.
Andel, M.A. van, Vroedvrouwenbordjes, Ned. Tijdschrift v. Geneesk. 1928, nr. 22, pag. 2665-9.

Vuilkoster, Vuilekoster

Kerkbediende, die allerlei arbeid te verrichten heeft: schoonmaken, de stoeltjes zetten, de klok luiden, he kruis dragen enz.

Bron:
D. CLASS, I 904

Vuilmeid  

Dienstbode voor het ruwe, vuile werk.
Vuilnismenner 

Bestuurder van een vuilniswagen met paardentraktie.
Vuilnisvaarder, vuilnisvoerder, vuylnis-voerder 

Schipper, die het opgehaalde vuil naar de stortplaats of voor zover daartoe geschikt, van de stortplaats naar het platteland vervoert om als mest te dienen.
(Tegenwoordig aantrekkelijk voor liefhebbers die met een metaaldetector op zoek zijn naar bodemschatten)
Vuilniswerker 

Belast met het uitsorteren van het opgehaalde vuil op de centrale stortplaatsen.
Vuilveger 

Straatveger.
Vuilvisser 

De vuilvisser heeft als taak de in de stadsgrachten/-wateren het daarin gedeponeerde afval op te vissen, een taak die tot vandaag nog steeds nodig is.
Vullisman 

Vuilnisman, ophaalder, inzamelaar van vuilnis.
Vuurboeter 

Persoon in overheidsdienst, die belast is met het aansteken en onderhouden van vuurboeten, d.w.z. open vuren langs de kust.
Vuurboetmeester 

Persoon belast met het toezicht op de vuurboeten.
Vuurheer, vuurmeester 

Brandmeester, belast met het toezicht op het gebruik van vuur en licht en eventueel leiding geeft aan het bluswerk.
Vuurmaker 

Smidsknecht belast met het stoken van het smidsvuur.
Vuurslotmaker 



Vervaardiger van vuursloten, het afvuurmechanisme van de vuurroeren, de geweren, waarmee men vroeger schoot.
Vuursmid 

Smid, die ijzer bewerkt, dat in het smidsvuur eerst gloeiend is gemaakt.
Vuurtorenwachter 

Oorspronkelijk belast met het onderhoud van de vuren op de vuurtorens, later met de zorg voor het goed functioneren van de elektrische verlichting van de vuurtorens.
Vuurvergulder 

De vuurvergulder bracht een dun laagje goud aan op sieraden en andere objecten, door deze in de smeren met of te dompelen in kwikzilver, waarin goud was opgelost en ze daarna te verhitten zodat het kwik verdampte en het goudlaagje overbleef.
Uiteraard een zeer ongezonde bezigheid.
Vuurwachter 

Persoon in overheidsdienst belast met het toezicht op de naleving van de brandvoorschriften.