Zaadhandelaar, zaadkoper

Handelaar in zaden, eventueel ook in granen.

Zaadkramer, zaadkraamster

Handelaar resp. handelaarster in zaden.

Zaadmeter

Persoon in dienst van dienst van de overheid als meter van zaad ten behoeve van de belastingheffing.

Zaadscheider

Persoon die zaaizaad zuivert en sorteert.

Zaadschieter, saadtschieter

Sorteerder en zuiveraar van zaden.

Zaagmeester

Meesterknecht op een hutzaagmolen.

Zaagmolenaar

Exploitant van een houtzaagmolen.

Zaagsmid, zagenmaker

Een van de smidsspecialismen. Er waren (en zijn) vele soorten zagen voor allerlei doeleinden van zeer klein tot behoorlijk groot. Metaalzagen met fijne tandingen, houtzagen (o.a. ten behoeve van de houtzaagmolens) enz. die voor de fabrieksmatige productie ontstond door de zaagsmid of zagenmaker werden vervaardigd en zo nodig bijgehouden.

Zaalmeid

Dienstmeid op een zaal van een gast- of weeshuis.

Zaalmoeder 

Vrouw belast met de leiding op een zaal van een gast- en weeshuis.

Zadelmaker, zadelmaakster

Vervaardig(st)er van zadels voor ruiters. Daarnaast vervaardigde en repareerde hij/zij als regel ook het gareel. In de tijd dat men het kolfspel beoefende vervaardigden ze ook veelal de daarvoor benodigde ballen. Deze bestonden uit wol, sajet of zijde, overtrokken met gezeemd, bokken- of kalfsleer, waarvan de naden met koperdraad aan elkaar genaaid werden.

Zadelriemenma(a)ker

Vervaardiger en reparateur van het gareel als hoofdstellen, leidsels en zadelriemen.

Zagevent

Persoon die zaagwerk verricht.

Zakkendrager, sackedrager

Persoon die als beroep zakken (met inhoud) transporteerde.  O.a. graan, meel en turf.
Ze waren in gilden georganiseerd.

Zakkenlapster

Vrouw die kapotte (meel)zakken herstelde.

Zakkenmaker, zakkenmaakster

Vervaardiger resp. vervaardigster van zakken van papier, linnen of jute.

Zakkennaaier, zakkennaaister

Man, resp. vrouw die zakken uit jute of linnen vervaardigde.

Zakkenplakker, zakkenplakster 

Papieren zakken/zakjes werden voor dit proces gemechaniseerd werd, handmatig gevouwen en geplakt. (Ik meen dat dit ook in gevangenissen gebeurde.

Zakkentrapier

Ondernemer die zakken liet vervaardigen.

Zalfverkooper

Als regel een kwakzalver, die smeersels verkocht, die volgens hem allerlei kwalen en aandoeningen konden genezen.

Zalmdrijver
Zie ook zalmvisser.

Persoon die met drijfnetten op zalm viste.

Zalmrooker

Een gedeelte van de gevangen zalmen was niet direct voor de consumptie bestemd maar werd geconserveerd door ze te roken.

Zalmvisser



Zalm werd vroeger veel gegeten. Men onderscheidde winterzalm, gevangen van november tot mei, zomerzalm, gevangen in juni, St Jacobszalm in juli en augustus. De vangst vond op verschillende manieren plaats. Men maakte onder meer gebruik van zegens, netten van oever tot oever en van de oppervlakte tot de bodem. Bij de drijfvisserij waren de netten, die met de stroom meedreven, zo’n 2 ½ meter hoog. Deze dreven met de stroom mee, waarbij de onderkant tot de rivierbodem reikte. Een derde vorm vond plaats door middel van staketsel, van de kant naar het diepe uitgebouwd, waar tussen vuiken of netten werden geplaatst. In Goeree vervaardigde men wel “tuinen” van dun rijshout, waar de zalm bij hoogwater overheen zwom en bij eb achterbleef. De zegenvisserij was de belangrijkste, de drijfvisserij heeft het het langst volgehouden. Winterzalm was de beste en de zwaarste (10 tot 15 kg).

Zanddrager 

Vervoerde met geijkte manden verschillende soorten zand van de zandschepen naar de afnemers.
Zandvoerder

De zandvoerder vervoerde per schip of per wagen zand.

Zangmeester, zangmeesteres

Man, resp. vrouw die zangonderwijs gaf.

Zeeagent 

Persoon in overheidsdienst, die in dehaven belast was met het controleren en uitgeven van vervoersdocumenten.
Zeeldraaier 

Arbeider in een touwslagerij.
Zeemtouwer

Door de zeemtouwer werden de huiden van herten, elanden, reeën, hamels, schapen, soms ook kalfsvellen, bovendien ook ossenhuiden (voor riemen, koppels en bandelieren van militairen) in zeemgaar leer of zeemleer veranderd. Het looimiddel dat hierbij gebruikt werd, is vet of traan. Het werd hoofdzakelijk gebruikt voor het maken van kledingstukken, vooral broeken, bretels, vesten, handschoenen en ook banden en verbanden voor chirurgisch gebruik.

Zeepdrager

Persoon die de vaten met zeep bij de klanten aflevert.

Zeepsieder, seepzieder, zeperij

Het oudst bekende recept voor een zeepachtig product is gevonden op een ongeveer 5000 jaar oud kleitablet uit Tello bij Mesopotamië. Rond het begin van onze jaartelling werd te Rome een nieuw product uit Gallië ingevoerd dat sapo werd genoemd, een term waaraan o.a. ons woord zeep aan ontleend is. Grondstoffen waren talk (afkomstig van schapen- of geitenvet) en potas.
In de zevende eeuw komt men dit product tegen als geneesmiddel en vanaf de negende eeuw was er sprake van de opkomst van het ambacht en de handel. Eerst in de veertiende eeuw weten we van zeepgilden ten noorden van de Alpen. Wanneer ook hier te lande zeep werd geproduceerd is, voor zover ik weet niet bekend. In de zestiende eeuw waren ze in ieder geval ook hier te lande aanwezig, o.a. in Gouda en Amsterdam.

De eerst bekende vermelding van de aanwezigheid van een zeepambacht stamt uit Gouda. In 1507 werd via een ordinantie van de oly ende seepmaeten aan de zeepzieders de verplichting opgelegd de producten in geijkte tonnen te verpakken. Uit 1526 is een voorschrift bekend met voorschriften waaraan de Amsterdamse zeepzieders moesten voldoen. Een aantal keurmeesters moest toezien op de naleving van de voorschriften. Zeepziederijen waren meest kleinere bedrijven met twee tot drie knechten. In de zeventiende eeuw had elke stad er wel een of meer.

De belangrijkste grondstoffen voor de fabricage waren soda, een natriumzout, gebruikt voor de hardere zeepsoorten en potas, gebruikt voor de zachtere zeepsoorten en olie. Soda werd ingevoerd uit Afrika en Spanje. Potas werd gewonnen uit de as van verbrande bomen en planten. De olie kon betrokken worden van de oliemolens, die inlandse oliezaden gebruikten zoals hennep-, raap- en lijnzaadolie. Hoewel bijv. o.a. darmwasserijen vrijkomend vet aan zeepziederijen verkocht zouden hebben, was althans in Amsterdam dit ten strengste verboden. Ook mocht geen talk, reusel, kookvet, walvis- en robbentraan als grondstof worden gebruikt. De Amsterdamse zeepzieders zouden zich over het algemeen wel aan deze voorschriften gehouden hebben.

In de Nederlanden werd in de eerste tijd voornamelijk zachte groene zeep gemaakt met als vaste bestanddelen raap-, hennep- en lijnolie en potas, scherper gemaakt met ongebluste kalk (30 delen fijngestampte potas gevoegd bij 25 delen kalk. Over de productie vond ik uiteenlopende versies.

  1. De olie werd in ketels verhit en het loog werd zorgvuldig bijgegoten. Na 6 tot 8 uur kon de zeep uit de ketels in vaten worden geschept, die dicht gekuipt konden worden als het gewicht was vastgesteld. Zonder toevoeging had deze zeep een bruingele kleur. Na toevoeging van indigo werd de kleur groen.



Bron:
O.a. Ben van Eysselsteyn, de geschiedenis van de zeep. Uitg. Unilever, 1962

Zeepsopman, zeepsopvoerder

Afvoerder van zeepsop, o.a. in Delft. Mogelijk mocht zeepsop niet in de grachten worden gestort om het water schoon te houden voor de bierindustrie.

Zeepzetter 

Ambtenaar belast met het vaststellen van de waarde van af te leveren hoeveelheid zeep en het innen van de daarvoor verschuldigde belastinggelden.
Zegellakmakerij

Vervaardiger van zegellak. In de Amst. Crt. Van 5 juni 1798 is de volgende advertentie opgenomen:
In de zegellakfabriek van Johs. Tjallingh op de Prinsegracht tusschen de Beere- en Runstraten
wordt ten minsten pryzen verkogt diverse soorten van rood en zwart zegellak van één tot vyf
gulden het pond; alsmede eene daartoe expres vervaardigde soort van ongeglansd rood
en zwart lak of flessenlak . . . . . alles by de party onder behoorlyke korting.
Zeildoekwever

Destijds werd vooral in Assendelft en Krommenie als huisindustrie zeildoek geweven. Dit was zwaar werk want aan zeildoek werd hoge eisen gesteld. De weefgetouwen waren het eigendom van de fabrikant. Deze verstrekte alleen het garen. Al het overige gereedschap en benodigdheden moest de wever zelf bekostigen.

Zeilmaker

Vervaardiger van zeilen. Een zeil werd destijds gemaakt uit sterk linnen doek, gewoonlijk bestaande uit verscheidene banen (kleden) en aan de rand met touwen (lijken) benaaid.
(ontleend aan een oude Van Dale).

Zeilnaaldenmakerij

Producent van zeilnaalden. Voor de vervaardiging van zeilen waren speciale extra sterke naalden nodig. Deze werden vervaardigd in een speciale zeilnaaldenmakerij.
In de Amst. Crt van 22 Februari 1800 komt o.a. de volgende advertentie voor:
Ik, ondergeteekende, eenigste fabriekeur in steele zeilnaalden in de 1ste Goudsbloemdwarsstraat, het 2de huis van de Goudsbloemsstraat, daar het Wapen van Dantzig uithangt, te Amsterdam, D. 12, Gr. 26.

Zetmeijer

Huurboer. (zie advertentie)


Zetter

O.a. werkzaam in een (kranten)drukkerij (hand- en machinezetter). Oorspronkelijk werd alles met behulp van een zethaak uit losse letters gezet. Later kwamen ook zetmachines in gebruik als de Intertype, de Linotype, en de Typograph, waar men hele regels mee zette, die na gebruik weer omgesmolten werden en de Monotype, waarmee losse letters werden gezet. De laatste deed vooral dienst voor het betere boekdrukwerk. De zetters werden geacht voldoende melk te drinken om loodvergiftiging te voorkomen. Vaak werd echter de boterham tussen de middag geconsumeerd met ongewassen handen.

Zevenmaker, zeeftemaker

Vervaardiger van allerlei soorten zeven/ziften.

Ziekenfondsbode

Incasseerder voor een ziekenfonds, die de verschuldigde premie kwam halen. Het ziekenfonds betaalde de huisarts, de specialist, de apotheek en zo nodig het ziekenhuis.

Ziekenmoeder

Vrouwelijk hoofd van de verpleegsters in een ziekenhuis.

Ziekenoppasser 

Ziekenverpleger.
Ziekentrooster 

Persoon, door de kerkenraad aangesteld maar door de stedelijke overheid betaald om zieken te bezoeken, zowel thuis als in gasthuizen enz.
Ziekenvader 

Persoon die in een ziekenzaal of aan boord van een schip aan het hoofd staat van de verplegers.
Ziekenverpleegster, ziekenverpleger

Ziekenverplegen is niet altijd een beroep geweest. Verplegen was oorspronkelijk een zaak van barmhartigheid, van roeping en godsdienstige plicht.
Inmiddels heeft het zich tot zelfstandig beroep ontwikkeld, met een eigen opleiding, verschillende specialisaties, dienovereenstemmende diploma’s, salarissen en sociale voorzieningen.
Zielverkoper

Man of vrouw die zeelieden wierf. Ze tot hun schip vertrok kost en inwoning verschafte (en bewaakte) en hun uitrusting verzorgde en voor de daardoor ontstane schulden in de praktijk een woekerrente vroeg.

Zijdebereider, zijdebewerker

Persoon, die de gesponnen zijdegarens bewerkt om geverfd orf geweven te worden.

Zijdedrapier 

Ondernemer, die zijdeprodukten door thuiswerkers laat vervaardigen.
Zijdedrukker 

Persoon die zijden stoffen bedrukt met figuren.
Zijdehaspelaarster 

Vrouw die de zijdedraden van de zijdecocons afwindt en op haspels spoelt.

Zijdekramer

Kleinhandelaar in zijden stoffen.

Zijdekweker

Kweker van zijderupsen en leverancier van de cocons.

Zijdemanufactuur

Eigenaar van een werkplaats/fabriek waar zijde en zijden stoffen worden verwerkt.

Zijdemolendraaier

Persoon die met behulp van een twijnmolen twee of meer draden in elkaar draait tot een.

Zijdemolenmaker 

Vervaardiger van zijdemolens.
Zijdereder, zijdereedster

Man, resp. vrouw die de ruwe zijde laat verwerken.

Zijdesteker

Borduurder die met of op zijde borduurt.

Zijdetweernder, zijdetwijnder 

Persoon die met behulp van een twijnmolen twee of meer draden in elkaar draait tot een.
Zijdewerker 

Spinner van zijde of wever van zijden stoffen.

Zijlrechter

Rechter in een waterschap.

Zijlvester

Bestuurder van een waterschap.

Zijlwaarder, zijlwachter

Sluiswachter bij een uitwateringskanaal. Persoon die verantwoordelijk is voor het openen en sluiten van de sluisdeuren en het innen van het sluisgeld.

Zilverdraadmakerij, zilvertrekker

Vervaardiger van zilverdraad.

Zilverslager

Ambachtsman die het zilverslaan beoefent, d.w.z. beroepsmatig drijfwerk van zilver vervaardigt of zilver uitklopt tot bladzilver.

Zilversmelter

Ambachtsman die oud en beschadigd zilverwerk smelt. Elders ook uit zilvererts.

Zilversmid

Persoon die het smeden van zilver als ambacht beoefent.

Zilversnijder

Persoon, die zilver snijdt, d.w.z. graveert.

Zilverspinner, zilverspinster 

Persoon die met behulp van een zilverspinmolen draden van een stof met zilverdraad omwonden worden of die zilverdraad spint.
Zilverwass(chr)er, zilverwass(ch)ter 

Man, resp. vrouw die (aan een hof e.d.) tot taak heeft het zilverwerk te reinigen en te poetsen.
Zilverwerker 

Persoon die zilverwerk vervaardigt, zilversmid.
Zinketser

De zinketser etst afbeeldingen op zinkenplaten/plaatjes, die als cliché mee afgedrukt worden bij het hoogdrukproces.

Zodenploeger

Werkman, die de zoden afdeelt met behulp van een zodenploeg op het land waaruit zij gestoken worden.

Zodensnijder 

Werkman die zoden uit de grond steekt. Een ploeg zodenstekers stak op een dag of in 10 uur ongeveer 600 á 700 zoden (rond 11843).
Zoetbakker
 
Koek- of bankerbakker.
Zoetboer 

Melkveehouder die zich toelegt op de verkoop van verse ongekarnde melk.
Zoetelaar, zuitelaar

Kleinhandelaar die troepen te velde snoepwaren, proviand en drank levert.
Zolderknecht

Arbeider die op de zolder van een pakhuis werkte, bijv. om graan om te werken.

Zoldermeester

Baas,chef, op een graan-, meel- of moutzolder. Ook beheerder van de graanvoorraden en de inkomsten in natura, die onder meer afkomstig waren van pachten en andere betalingen, die op zolders bewaard bleven tot ze tegen de beste prijs op de markt gebracht konden worden.

Zolderwerker

Een niet in het gilde opgenomen snijders- oftewel kleermakersgezel. Ontdook dus de voorschriften.

Zoolnaaier, zolennaaier

Arbeider op een schoenfabriek die uitsluitend het onderwerk aan het bovenwerk vastnaait.

Zoutbaas

Persoon belast met het toezicht in een zoutsiederij.

Zout- en zeepkramer, zout- en zeep verkoper/verkoopster

Handelaar, resp. handelaarster in zout en zeep.

Zoutmeter

Persoon in overheidsdienst, die het geraffineerde zout mat ter bepaling van de verschuldigde accijns.

Zoutpachter 

Persoon die de inning van de zoutaccijns of het recht van opkoop en handel in zout pachtte.
Zoutstoter/soutstoter, zoutzieder

Na de winning van zout via het darinkdelven, waarbij men door zeewater overspoelde turflagen afstak en verbrandde, waarna de as in grote pannen met zeewater werd gekookt, tot het water verdampt was en het zout overbleef, werd ruw zout geïmporteerd uit Zuidelijke landen als Frankrijk en later ook uit Spanje, waar zout gewonnen werd door verdamping van zeewater in open bassins. Hier te lande werd dit ruwe zout geraffineerd in zoutketen. Dit waren in het algemeen kleine bedrijven.

Zuigster

Dit waren vrouwen, die bij kraamvrouwen de eerste moedermelk afzogen. Dit was voor kraamvrouwen niet zonder risico omdat deze zuigsters soms door syfilitische zweren in hun mond deze ziekte konden overdragen op de kraamvrouwen. Tegenwoordig heeft zuigster een andere betekenis en heeft een plaats gevonden in het seksleven.
Zuivelkoper

Handelaar, eigenlijk grossier in boter en kaas. De kleinhandel van deze producten werd gedaan door kleinkramers en vettewariers.
Zwaardenmaker

Elk zeilschip dat geen kiel heeft, moet uitgerust zijn met een stel zwaarden. Degeen, die de zwaarden vervaardigde/vervaardigt is in wezen een gespecialiseerd timmerman. Dikwijls vervaardigt/de de zwaardenmaker ook andere houten onderdelen van zeilschepen zoals bijv. het roer.
Zwaardveger

Wapensmid primair gespecialiseerd in de vervaardiging en het onderhoud van zwaarden, dolken en hellebaarden. Dit beroep wist zich ook na de riddertijd te handhaven gezien onderstaande advertentie uit de Amst. Crt van 3 november 1796:
P. van Dyk, mr. Zwaardveger, maakt en verkoopt alle soorten van degens, houwers, ringkraagen etc. in het groot en klein….. Verguld ook zilver en koper in het vuur, verzilverd ook dito. Woont op de Oude Turfmarkt op het Gasthuishofje te Amsterdam.

Zwartsmid

Smid die ijzeren gebruiksartikelen smeed bestemd voor huiselijk gebruik of op schepen.

Bron:
WNT

Zwartverver, zwartverfster

De zwartverver/verfster was gespecialiseerd in het zwart verven van allerlei stoffen, o.a. voor rouwgebruiken. “Geen swartverwers en sullen tot het verwen van eenige stucken, onder de jegenwoordige neringe staende, anders mogen ghebruycken dan alleen gal, coperrood ende gekeurde mede.” (bep. uit 1621).

Zwavelbinder

Persoon, die zwavelstokken tot bosjes bindt.

Zwavelkramer, zwegelskramer 

Handelaar in zwavelstokken.

Zwavelstokkenmaker, zwavelstockmaecker

De zwavelstokkenmaker vervaardigde zwavelstokken door dunne houtjes of hennepstengels in vloeibare zwavel te dopen.

Zwijnengelter

Castreerder van varkens.

Zwikker

  1. Beul
  2. Functie bij de schoenfabricage: de persoon die de op een leest geschoven schoenschachten met
    spijkertjes of krammen aan de op de leest bevestigde binnenzool bevestigt.

Zwingelmaker

Vervaardiger van braakstokken, gebruikt bij de verwerking van vlas.